Inhoud van dit artikel

Vloerverwarming is fijn: geen radiatoren onder het raam, warme voeten en een gelijkmatige temperatuur in de kamer. Maar niet elke vloer laat de warmte even makkelijk door. Kies je de verkeerde, dan duurt het lang voor de kamer warm is, of krijgt de vloer kieren en bobbels. In dit artikel lees je waar je op let.

Warmteweerstand: hoe makkelijk komt de warmte erdoor?

Elke laag op je dekvloer houdt een beetje warmte tegen: de ondervloer, de lijm en de vloer zelf. Hoe dikker en hoe beter isolerend die lagen samen zijn, hoe trager de verwarming reageert. Fabrikanten geven daarom een warmteweerstand op, de R-waarde. Voor vloerverwarming wordt vaak een maximum genoemd van ongeveer 0,15 m²K/W voor vloer en ondervloer samen. Vraag bij elke vloer naar die waarde, en tel de ondervloer mee.

Dunne, stevige vloeren die direct op de dekvloer liggen, doen het meestal het best. Een dikke, zachte ondervloer is prettig voor geluid, en remt tegelijk de warmte af.

De vloeren op een rij

  • PVC om te verlijmen is dun en ligt direct op de dekvloer. De warmte komt er snel door, en het materiaal kan goed tegen de temperatuurwisselingen. Kies wel een PVC die de fabrikant geschikt noemt voor vloerverwarming.
  • PVC met kliksysteem is iets dikker en ligt zwevend op een ondervloer. Dat kan ook, als de ondervloer dun is en voor vloerverwarming bedoeld.
  • Laminaat ligt altijd zwevend. Met een geschikte, dunne ondervloer werkt het, al voelt het iets minder warm aan dan PVC.
  • Houten vloeren kunnen, mits ze verlijmd zijn en het hout stabiel is, zoals een meerlaagse eiken plank of een visgraat van smalle stroken. Hout werkt met de temperatuur en de luchtvochtigheid mee, dus kleine kieren in de winter zijn normaal.
  • Tapijt isoleert van zichzelf, vooral met een dikke ondertapijt. Kies dan een dun tapijt met een lage warmteweerstand.

Let op de temperatuur

De meeste fabrikanten van PVC, laminaat en hout geven een maximale oppervlaktetemperatuur op, vaak rond de 27 graden. Daarboven kan de vloer gaan krimpen, uitzetten of verkleuren. Laat je installateur weten welke vloer je kiest, zodat de aanvoertemperatuur daarop wordt afgesteld. Bij een vloer van hout is ook de luchtvochtigheid in huis belangrijk; een te droge lucht in de winter geeft eerder kieren.

Zet zware vloerkleden of kasten zonder pootjes niet op een groot deel van de verwarmde vloer. De warmte kan er dan niet weg, en de vloer wordt daaronder te warm.

Opstoken voordat er gelegd wordt

Een nieuwe dekvloer met vloerverwarming moet droog zijn voordat er een vloer op komt. Dat gaat met een opstookprotocol: de verwarming wordt in stappen hoger gezet en weer afgebouwd. Je installateur of de leverancier van de dekvloer heeft daar een schema voor. Pas als het vocht is gemeten, kan de vloer erop. Wordt die stap overgeslagen, dan komt het vocht later via je nieuwe vloer naar boven.

Koelen met de vloer

Heb je een warmtepomp, dan kan de vloerverwarming in de zomer ook koelen. Dat stelt eigen eisen: er mag geen condens onder de vloer ontstaan. Vraag of de vloer en de lijm geschikt zijn voor vloerkoeling, en laat het systeem zo afstellen dat de vloer niet te koud wordt.

Wat we bij het inmeten vragen

Bij een inmeetafspraak kijken we naar het type verwarming, de dekvloer en wat er nu ligt. We vragen of je het opstookprotocol hebt, of de verwarming via een warmtepomp gaat en welke temperatuur er normaal wordt gestookt. Met die gegevens kiezen we samen een vloer en een ondervloer die erbij passen, en hoor je vooraf wat je in de eerste winter kunt verwachten.