Inhoud van dit artikel

Een buitenrit is voor veel ruiters de reden om te leren rijden. Over zandpaden door het bos, langs de heide en tussen de akkers: het voelt vrijer dan rondjes in de bak. Buiten gedraagt een paard zich wel anders, en daarom is het goed om te weten wat er van je verwacht wordt voordat je meegaat.

Wat je in de bak al moet kunnen

Voor een rustige bosrit in stap en draf moet je zelfstandig kunnen opstappen, je teugels op lengte houden en in stap en draf je evenwicht bewaren zonder je aan de manen vast te houden. Je kunt een paard laten stoppen en weer laten lopen, en je weet hoe je een bocht stuurt. Lichtrijden in draf hoort daarbij, want op een lang stuk draf is doorzitten vermoeiend voor jou en voor het paard.

Voor een rit met galop, zoals een heiderit, vraagt de begeleider meer. Je hebt in de bak al gegaloppeerd, je kunt een galop ook weer rustig terugbrengen naar draf en je blijft in balans als het paard een sprongetje maakt. Twijfel je, zeg het dan eerlijk bij je aanmelding. Er is altijd een rit die beter bij je past.

Waarom een paard buiten anders is

In de bak kent een paard elke hoek. Buiten zijn er geluiden, geuren en dingen die bewegen: een fietser die van achteren komt, een fazant die opvliegt, een plastic zak in de struiken. Paarden zijn vluchtdieren en schrikken soms even. Bij een goede begeleider lopen de rustigste paarden voorop en achteraan, en rijdt de groep in een vaste volgorde. Je houdt een paardlengte afstand tot het paard voor je, zodat niemand een trap krijgt als er even geremd wordt.

Merk je dat je paard gespannen raakt, praat er dan rustig tegen, houd je teugels kort genoeg zonder eraan te trekken en kijk vooruit in de richting die je op wilt. Paarden voelen het als je zelf verkrampt. Een diepe uitademing helpt jullie allebei.

Afspraken op het pad

Op de Veluwe deel je de paden met wandelaars, fietsers en soms een mountainbiker. Ruiters blijven op de ruiterpaden, en op smalle stukken ga je terug naar stap. Kom je wandelaars tegen, dan passeer je in stap en met een groet. Zo blijft het voor iedereen prettig, ook voor het paard dat achter je loopt.

Op de heide zie je soms een kudde schapen met een herder. Houd dan ruim afstand en wacht op een teken van de begeleider. Draf en galop gebeuren alleen op de stukken die de begeleider aanwijst, meestal op brede zandpaden met goed zicht.

Wat je meeneemt

  • Een cap die goed past, met de kinband dicht.
  • Laarzen of schoenen met een hak, en eventueel chaps tegen schuren.
  • Kleding in laagjes; in het bos is het koeler dan in de bak.
  • Handschoenen, zodat de teugels niet door je vingers glijden.
  • Een bodyprotector als je die hebt; anders vraag je er een te leen.

Kies het moment dat bij je past

Een ochtendrit door het bos is vaak rustig en koel, met nevel tussen de bomen. Op de heide is het licht in de late ochtend breed en helder, en een avondrit langs de akkers is in de zomer warm en stil. Elke rit heeft zijn eigen tempo. Begin met de kortste rit in stap en draf, en schuif pas door naar een rit met galop als je je buiten echt op je gemak voelt.

Weet je nog niet of je eraan toe bent? Plan dan eerst een proefles in de bak. De instructeur ziet in een uur of een buitenrit al past, en anders oefenen jullie daar samen naartoe.